ENGLISH
  Onderzoek > Juridisch kader
Home
 
 
Onderzoek
Jaarplan
Publicaties
 
 
Partners
Netwerk
 
 
Nieuwsbrief
Agenda
Vacatures
 
 
Contact
 
 
Links

Juridisch kader

De onderzoekslijn bestaat uit twee deelprojecten: (1) (rechts)vergelijkend onderzoek naar marktwerking en keuzevrijheid in de ouderenzorg en (2) overheidsinstrumentarium in de zorgsector.
Deze onderzoekslijn laat toe rechtsvergelijkend onderzoek uit te voeren van alle juridische basisdata op het vlak van welzijn en gezondheid, en biedt eveneens de mogelijkheid om vanuit programma 3 punctueel te interveniëren wanneer een juridische toets bij de onderzoeksactiviteiten of onderzoeksresultaten van de andere programma’s aangewezen lijkt.

Algemene situering

Sinds geruime tijd heeft het juridisch onderzoek zich, ten minste in een Vlaamse context, op het vlak van welzijns- en gezondheidszorg binnen het sociaal recht verzelfstandigd. Het gaat daarbij om een functioneel rechtsgebied, een gebied waar verscheidene rechtstakken, -niveaus en ‑figuren probleemgericht worden ingezet, zij het dat door de toepassing en confrontatie ervan deze begrippen een specifieke inhoud kunnen krijgen. Bij het vertalen van rechtsfiguren en –instrumenten moet dan ook steeds voor ogen worden gehouden in hoeverre een specifieke juridische aanpak en methodiek verantwoord is. Centraal staat dus de ontwikkeling van een probleemgericht juridisch kader waarbij gebruik gemaakt wordt van bestaande rechtsfiguren, waar nodig herbekeken in het licht van specifieke welzijnsnoden.

Aandachtspunten en doelstellingen

  1. Het zorgdomein wordt juridisch-organisatorisch gekenmerkt door een driehoeksverhouding tussen overheid, voorziening en cliënt (de zogenaamde beleidsdriehoek). De assen van deze driehoek stellen elk een rechtsverhouding voor, die telkens specifieke juridische problemen met zich meebrengt en onderzoeksvragen oproept. Het is een doelstelling van het onderzoek binnen dit programma om deze driehoeksverhouding gevoelig uit te diepen en te verfijnen. Zo omvat het begrip overheid zowel de wetgever als de administratie (uitvoerende macht). Wetgever en administratie kunnen echter de organisatie van de zorg op onderscheiden wijze beïnvloeden en hebben daarbij verschillende verantwoordelijkheden. Ook het niveau van de voorziening moet verder worden gediversifieerd, met een positionering van o.a. de individuele zorg- en hulpverleners, de teams, de directie, de inrichtende macht, samenwerkingsverbanden en netwerken, en koepelorganisaties. Op het cliëntniveau (patiënt/gebruiker) tot slot moet, naast het individuele cliëntbegrip, aandacht worden gegeven aan de bijzondere positie van het cliëntsysteem, en daarbij in het bijzonder aan de positie van de ouders t.o.v. hun minderjarige kinderen. Een rijker geschakeerde invulling van deze driehoek moet ertoe bijdragen toekomstig onderzoek te structureren.
  2. De overkoepelende benadering van het juridisch onderzoek is cliëntgericht, wat betekent dat de rechtsverhoudingen geanalyseerd worden in het licht van de bevordering van het welzijn van de cliënt en/of het cliëntsysteem. Centraal staat de vraag welke juridische garanties er bestaan en welke mogelijkheden er zijn om de zorg ten behoeve van de cliënt zo kwaliteitsvol mogelijk juridisch te ondersteunen met aandacht voor zorgethische gevoeligheden. Dit cliëntperspectief belet evenwel niet dat ook de verhouding tussen bv. administratie en de voorzieningen voorwerp van onderzoek is. In deze verhouding wordt immers niet alleen het cliëntperspectief in rekening gebracht; bovendien verhoogt de kwaliteit en rechtszekerheid van de zorg- en dienstverlening ook indien de positie en verantwoordelijkheden van de diverse partners duidelijk omschreven is.
  3. Daarenboven wordt in rekening gebracht welke rol het recht kan of moet vervullen in het sturen van de zorgrelatie en wat de rol van de wetgever (actief reguleren), resp. de administratie (opvolgen en sturen) daarin is. Daarmee samenhangend moet worden nagegaan over welke juridische instrumenten een overheid beschikt en welk instrument het meest geëigend is om welbepaalde kwaliteitsaspecten van de zorgrelatie te sturen. Hierbij valt te denken aan protocols, beheersovereenkomsten, inspectie, en dergelijke. Uiteraard vormt de beleidsruimte waarover de Vlaamse overheid ingevolge de bevoegdheidsverdeling beschikt, eveneens voorwerp van onderzoek. Nog in dat verband, ten slotte, moet nagedacht worden over de taakverdeling tussen publieke en private actoren in de zorg en over het verschil in reglementering dat beide met zich meebrengen.
  4. Bij de uitwerking van het juridisch kader wordt ook de intrusie van andere rechtsdomeinen binnen het domein van gezondheid en welzijn meegenomen. Dit domein wordt immers ook vanuit de interne rechtsorde toenemend beïnvloed door aspecten van bestuursrecht (klachtrecht, ombudsman, aanbestedingen), burgerlijk recht en strafrecht (aansprakelijkheid en schuldig verzuim van hulpverleners), socialezekerheidsrecht (statuut van de vrijwilliger en de onthaalouder) en gezondheidsrecht (patiëntenrechten, hulpverleningscontracten).
    De fundamentele vraag is dan in hoeverre de eigenheid van het domein gezondheid en welzijn specifieke oplossingen vergt, dan wel dat de algemene rechtsfiguren uit andere rechtstakken onverkort kunnen gelden. Voorbeelden hiervan zijn: de openbaarheid van bestuur, het klachtrecht en de ombudsman, privacybescherming, het beroepsgeheim, het subjectief recht op hulpverlening en aansprakelijkheid. Onderzoeksactiviteiten zullen onder meer gericht zijn op de afbakening en omschrijving van de begrippen welzijn, gezondheid en zorg en een aantal andere relevante begrippen. Hierbij moeten de specifieke karakteristieken worden aangegeven, als deze er zijn, die kunnen rechtvaardigen dat algemenere rechtsfiguren uit het burgerlijk, straf-, economisch … recht niet steeds onverkort kunnen gelden.
  5. Niet alleen gaat aandacht uit naar de intersectorale invloed op de welzijns- en gezondheidszorg. In tweede instantie is er ook de toenemende invloed van supranationale en grensoverschrijdende ontwikkelingen die al dan niet dwingend doorwerken in de interne rechtsorde. Deze ontwikkelingen zijn vaak van een sterk juridische aard omdat ze gestuurd worden door de vooraanstaande rechtsprekende instanties in Europa (het Europees Hof van Justitie en het Europees Hof voor de Rechten van de Mens).
    Vanuit dit aandachtspunt wordt rekening gehouden met toepasselijke bepalingen uit het Europees recht en interpretaties ervan in de rechtspraak van het Europees Hof van Justitie. In hoofdzaak bestaat de uitdaging erin om de belangrijkste bevindingen naar de context van welzijn en gezondheid te vertalen. Concreet moet de invloed van de Europese regels inzake vrij verkeer van diensten, vestigingsvrijheid, diensten van algemeen belang, migratie, erkenning van beroepskwalificaties, staatssteun en mededinging worden nagegaan. Ook Europese initiatieven ter coördinatie van de zorgreglementering via de open methode van coördinatie zullen worden opgevolgd. Ten slotte blijkt de grensoverschrijdende onderzoeksaanpak ook uit de aandacht voor grensoverschrijdende leer- en assimilatieprocessen buiten de Europese instellingen om. In dat verband wordt naar voorbeelden gezocht en een analyse gemaakt van parallelle trends in andere rechtsstelsels, ervaringen met beleidsalternatieven en –experimenten, proeftuinen, …

Terug naar top

     

Project A - Een (rechts)vergelijkend onderzoek naar marktwerking en keuzevrijheid in de ouderenzorg
Het project handelt over ‘Marktwerking en keuzevrijheid in de welzijns- en gezondheidszorg , met aandacht voor de druk vanuit Europa om tot meer liberalisering te komen, en voor de toegenomen wens van cliënten om zelf te participeren in de bepaling van welke zorg op welke manier het meest gepast is. Dit behelst rechts- en beleidsvergelijkend onderzoek naar ontwikkelingen aan de aanbodzijde (diversifiëring en marktwerking) en de vraagzijde (keuzevrijheid en zorg op maat) en brengt daarbij het Europese rechtskader in rekening.

Deze vragen worden in een sterk vergelijkend perspectief onderzocht (door te kijken hoe in andere landen op deze vragen wordt geantwoord) en met de ouderenzorg als toepassingsveld. Onder ouderenzorg wordt de langdurige zorg voor ouderen begrepen (long-term care), hetgeen breder is dan de ‘ouderensector’ in de Vlaamse welzijns- en gezondheidszorg (bv. ook zorg voor oudere personen met een handicap).

Trefwoorden die het project beschrijven zijn: marktwerking, keuzevrijheid, flexibilisering, zorgvernieuwing, zorg op maat, juridische garanties en (rechts)bescherming van de oudere zorgbehoevende persoon.

Probleemstelling
In internationaal perspectief staat de vernieuwing van ouderenzorg hoog op de politieke agenda. Aan de aanbodzijde staan daar inspanningen tegenover om de diversiteit te verhogen en om zorg op maat te versterken. Een economische logica speelt daarbij een grotere rol, met een toenemende druk vanuit de Europese Unie om ook op het gebied van zorg te komen tot meer vrij verkeer van personen, diensten en goederen en tot meer concurrentie. Verbreding van het zorgaanbod gebeurt onder meer door vestigingsmogelijkheden van private, soms commerciële actoren te creëren. Om sneller aan de stijgende vraag naar zorg te kunnen voldoen kopen overheden vaker zorg in van private actoren en wordt mantelzorg aangemoedigd. Aan de vraagzijde wordt keuzevrijheid als vooraanstaand principe naar voor geschoven. Ook komt steeds meer de participatie van de oudere persoon centraal te staan, zowel in de vormgeving van het zorgtraject als in de uitvoering daarvan. Er is bovendien een ‘shift’ van een klassiek zorgaanbod (‘care’) naar een zorgbudget (‘cash’).

Onderzoeksvraag
Het onderzoek analyseert het juridisch kader waarin deze ontwikkelingen plaatsvinden, de mogelijkheden van het recht om ongewenste gevolgen en valkuilen te vermijden en om kwaliteitsvolle zorg te kunnen blijven garanderen. Via de aanpassing of uitbreiding van wetgeving kan er bijvoorbeeld voor gezorgd worden dat de sociale zekerheid ook tussenkomt bij nieuwe of alternatieve zorgvormen (b.v. kortverblijf) of nog, kan de rechtspositie, meer bepaald de inspraak, van de oudere persoon die een zorgtraject doorloopt, worden versterkt. De vraag wordt gesteld hoe een toekomstige regeling van een breed en divers zorgaanbod er optimaal kan uitzien (een kaderregeling en/of specifieke deelregelingen voor elk zorgtype) en vooral hoe de flexibilisering van het aanbod in evenwicht kan worden gebracht met de rechtsbescherming van de oudere persoon. 

Het project neemt de ouderenzorg als toepassingsveld, omdat het een sector is die zich op het snijvlak van zorg en welzijn situeert, en omdat veel van de te onderzoeken ontwikkelingen zich ook, en soms zelfs vooral, in de ouderenzorg voordoen. In diverse landen zijn for profit ondernemingen steeds prominenter aanwezig in de ouderenzorg, meer dan in andere sectoren. Bovendien is de demografische druk om er op korte termijn te vernieuwen en te differentiëren erg groot. Het staat evenwel buiten kijf dat de vragen relevant zijn voor het hele domein van welzijns- en gezondheidszorg: bovendien wordt steeds aandaccht besteed aan de overdraagbaarheid van de resultaten naar andere zorgsectoren.

De antwoorden die de wetgever formuleert op de uitdagingen van de ouderenzorg, kunnen, althans voor Vlaanderen, nuttig in verband worden gebracht met en afgetoetst aan de resultaten van het empirisch onderzoek beschreven in projectlijn 1.3. van programma 1 en met project 3 van programma 3. In het eerste project (1.1.3) wordt een beschrijving gegeven van de zorgtrajecten die ouderen (met cognitieve problemen) doorlopen, de mogelijke effecten van de hulpverlening voor deze personen en mogelijke hiaten in het zorgaanbod. Hier wordt als het ware de maatschappelijke realiteit geschetst waarvoor de wetgever adequate oplossingen tracht uit te werken. Het tweede project (3.3) analyseert initiatieven om te komen tot een betere afstemming van het zorgaanbod. Ook hieraan kunnen in de toekomst regelgevende gevolgen worden verbonden.

Methodiek
Het onderzoek valt uiteen in een algemeen en een bijzonder deel.

In het algemeen deel wordt op basis van een literatuuronderzoek een uitklaring van een aantal centrale begrippen nagestreefd zoals flexibilisering en marktwerking, zorg op maat en cliëntparticipatie. De belangrijkste publicaties over deze trends binnen ouderenzorg worden opgesomd en de centrale begripsomschrijvingen eruit weerhouden. Dit laat ons toe om de beschikbare literatuur aanwezig in de diverse rechtsstelsels een eerste keer te verkennen. Daarnaast zal onvermijdelijk worden stilgestaan bij de invulling en impact die uitgaat van de Europeesrechtelijke ontwikkelingen, die het debat mede in een stroomversnelling hebben gebracht.

Het bijzonder deel wordt dan opgebouwd aan de hand van het comparatief onderzoek.
Een verkennend onderzoek blijft in eerste instantie stilstaan bij de volgende rechtsstelsels: Frankrijk, Duitsland, Nederland, Verenigd Koninkrijk, Noorwegen en uiteraard België (zowel het federale niveau als het niveau van de gemeenschappen en de gewesten).

In elk van deze rechtsstelsels werd recent gesleuteld aan het wetgevend kader voor de ouderenzorg, met nadruk op de erkenning van bijkomende, ook commerciële, zorgvormen, de versterking van de mantelzorg en de rechtsbescherming van de oudere zorgbehoevende persoon. Hoewel elk rechtsstelsel oplossingen zoekt vanuit de eigen rechtstraditie, zijn de problemen die wetgevende aanpassingen vergen, sterk vergelijkbaar (demografische druk, te weinig zorgcapaciteit (thuis en/of residentieel), tekort aan integratie van zorgtypes, etc.). Dat maakt het interessant om juridische oplossingen binnen elk van deze rechtsstelsels te overlopen en vergelijken.

Voor elk rechtsstelsel wordt aandacht besteed aan de algemene organisatie van en recente wetsontwikkelingen op het vlak van ouderenzorg. De volgende ontwikkelingen komen voor een eerste beschrijving in aanmerking: de uitbreiding van diensten; de professionalisering van zorgberoepen en de ondersteuning van mantelzorgers; de financiering van diensten; het sleutelen aan de organisatievormen waarin zorg wordt aangeboden; het wegwerken van ongelijke behandeling tussen regio’s; de harmonisering van beschermingsmaatregelen (contracten, consumentenrechten, huishoudelijke reglementen); targeting en het prioriseren in functie van doelgroepen; de tegemoetkoming in de kosten voor (residentiële) ouderenzorg; het groeiend onderscheid dat wordt gemaakt tussen de woonfunctie en de zorgfunctie in de dienstverlening aan ouderen.

Na een verkennende fase en een summiere beschrijving van elk van deze rechtsstelsels in het licht van deze ontwikkelingen, worden drie en maximum vier rechtsstelsels geselecteerd voor een in-depth vergelijkende analyse. Van elk van deze rechtsstelsels wordt een uitvoerig onderzoeksverslag opgesteld dat wordt voorgelegd aan respondenten in elk geselecteerd land. Daarna worden de verslagen van elk rechtsstelsel aan een eigenlijke comparatieve analyse onderworpen (gelijkenissen, verschillen, valkuilen, pluspunten, etc.).

Output
Het onderzoek streeft ernaar om de krachtlijnen van recente evoluties in de ouderenzorg te onderkennen en te analyseren, om verschillende regelgevende opties naast elkaar te zetten,  om na te gaan wat de (eerste) ervaringen zijn met bepaalde wetgeving en om aanbevelingen te formuleren om te komen tot een geïntegreerd en gebalanceerd wettelijk kader voor de ouderenzorg van de toekomst.

Concrete valorisatiemogelijkheden
De hoger geschetste methodiek maakt het mogelijk contacten te leggen met ‘stakeholders’ in de zorgsector in een selectie van landen met focus op ouderenzorg. Daarbij wordt zowel gedacht aan personen die actief zijn op het beleidsniveau, als aan vertegenwoordigers van cliëntenorganisaties en belangengroepen van zorgverstrekkers en overkoepelende platformen. Met hen worden gesprekken georganiseerd aan de hand van semi-gestructureerde vragenlijsten.

Er wordt ook gedacht aan de organisatie van een studiedag waarop de respondenten van het rechtsvergelijkend onderzoek worden uitgenodigd om over het thema te debatteren. De referaten van deze studiedag kunnen onder een breder publiek worden verspreid.

Verder worden de onderzoeksverslagen van de diverse rechtsstelsels publiek gemaakt. Het is de bedoeling dat elk verslag op systematische wijze weergeeft wat voor het betrokken rechtsstelsel de belangrijkste ontwikkelingen zijn op wetgevend vlak en de beleidsopties die daarbij genomen zijn. De resultaten van de comparatieve analyse worden in een eindverslag gebundeld, dat vervolgens gepubliceerd en voorgesteld wordt. 

In het kader van dit project worden ontwikkelingen in het Europese recht die een invloed kunnen hebben op het domein van de welzijns- en gezondheidszorg continu opgevolgd. Enkele voorbeelden zijn ontwikkelingen op het vlak van de mededinging, het vrij dienstenverkeer, initiatieven op het vlak van de geestelijke gezondheidszorg en sociale inclusie van kansarme groepen. Hierover kan onder meer op geregelde tijdstippen op de SWVG-website worden gerapporteerd. Hetzelfde geldt voor het opvolgen van en rapporteren over ontwikkelingen in de Franse Gemeenschap en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest op het vlak van ouderenzorg.

Fasering (58 onderzoeksmaanden)
Voor het project wordt vier jaar en 10 maanden uitgetrokken.
De eerste periode (8 maanden) wordt besteed aan het algemeen deel (opstellen van een begrippenkader over marktwerking en keuzevrijheid, met aandacht voor invloeden vanuit het Europese recht).
In het bijzonder deel gaat 12 maanden naar het verkennend onderzoek, 16 maanden naar de in-depth analyse, 6 maanden naar de comparatieve analyse en 6 maanden naar het opstellen van het eindrapport over het algemeen en bijzonder deel.
De vervolgfase van 10 maanden tot slot wordt besteed aan de overdraagbaarheid van de onderzoeksresultaten naar andere sectoren dan de ouderenzorg.

Terug naar top

     

Project B - Het overheidsinstrumentarium in de zorgsector

De overheid draagt een bijzondere verantwoordelijkheid voor de zorgverlening, die duidelijk een taak van algemeen belang uitmaakt. De (eind)verantwoordelijkheid van de Staat wordt zichtbaar in het uitgebreide instrumentarium dat de overheid hanteert ter bevordering en garantie van een kwaliteitsvolle zorgverlening. Dit instrumentarium bestaat onder meer uit de vele erkennings- en subsidiëringsnormen, de programmatie, verplichtingen opgelegd aan de zorginstellingen in de wetgeving, de mogelijkheid om overeenkomsten (convenanten) - al dan niet in het kader van PPS - te sluiten en de informeel gehanteerde sturingsinstrumenten. Dit onderzoek poogt het kluwen aan instrumenten die de overheid hanteert en waarmee de zorgvoorzieningen – en op indirecte wijze de welzijnscliënten en patiënten - geconfronteerd worden, te ontwarren.

De verschillende instrumenten worden enerzijds in kaart gebracht en beschreven, waarbij de nadruk ligt op de juridische waarde en rechtsbeschermende kracht van elk instrument, en anderzijds onderworpen worden aan een toetsingskader, opgesteld op basis van de principes van ‘social governance’ en ‘government governance’. Via dit toetsingskader wordt nagegaan in hoeverre het geschikte instrument wordt gebruikt, er overlap met andere instrumenten bestaat, er hiaten zijn in het instrumentarium, de rechtsbescherming van de cliënt (gebruiker en patiënt) voldoende centraal staat…

Trefwoorden zijn sturing, beheersinstrumenten, rechtsbescherming, government governance, kwalitatieve zorgverlening, instrumentenmix

Probleemstelling
De overheid draagt een bijzondere verantwoordelijkheid voor de zorgverlening, die duidelijk een taak van algemeen belang uitmaakt. De (eind)verantwoordelijkheid van de Staat wordt zichtbaar in het beleid, de wetgeving, de beleidsuitvoering, de financiering en de rechtsbescherming op het terrein van WVG. Dat de overheid verantwoordelijk is voor welzijn en volksgezondheid impliceert niet dat zij een monopolie heeft op dit terrein; de aanbodzijde van de zorgsector wordt gekenmerkt door een amalgaam van – publiekrechtelijke en privaatrechtelijke – instellingen.

Het betrekken of toelaten van (publiekrechtelijke en privaatrechtelijke) instellingen bij de uitvoering van het zorgbeleid betekent niet dat deze uitvoeringstaken uit het takenpakket van de overheid verdwijnen, zoals bij privatisering sensu strictu het geval zou zijn. Aangezien de overheid de eindverantwoordelijkheid behoudt, moet de overheid over een aantal juridische instrumenten beschikken ter sturing – waaronder controle – van de verschillende zorginstellingen en -voorzieningen. Een zorgvoorziening streeft immers niet steeds uit eigen beweging een zo groot mogelijke efficiëntie en kwaliteit na. Hiertoe zijn externe stimulansen nodig, zoals toezichtsmechanismen, het geven van een financieel belang, het geven van meer verantwoordelijkheid… Deze stimuli kunnen worden teruggevonden in de verschillende sturingsinstrumenten, zoals de erkennings- en subsidiëringsnormen, de programmatie, de verplichtingen opgelegd aan de zorginstellingen in de wetgeving, de mogelijkheid om overeenkomsten (convenanten) - al dan niet in het kader van PPS - te sluiten, het (bijzonder) toezicht, de informeel gehanteerde sturingsinstrumenten…

Niet elke overheid kan echter zo maar elk instrument gebruiken: het Europees recht, de andere rechtstakken en de staatshervorming zorgen voor beperkingen bij het hanteren van sturingsinstrumenten. Bovendien is niet enkel een onderscheid in het instrumentarium afhankelijk van de overheid die het hanteert; de instrumenten verschillen ook naar gelang van de actor tot wie de overheid zich met het betreffende instrument richt.
Dit onderzoek betreft instrumenten die de overheid hanteert ten aanzien van de zorginstellingen en –voorzieningen; deze kunnen verschillen naar gelang van de aard van de instelling. Bij de uitvoering van het zorgbeleid zijn immers heel wat instellingen betrokken, zowel publieke als private instellingen die erg verschillende rechtsvormen (kunnen) aannemen, al dan niet een winstoogmerk nastreven en al dan niet gekwalificeerd als een ‘administratieve overheid’, dan wel een ‘bestuursinstantie’.

Het gehanteerde instrumentarium van de overheid (overheden) binnen de zorgsector vormt een kluwen van regelgeving en semi-regelgeving, met voor elk instrument een eigen bijzondere finaliteit – naast de hoofddoelstelling van een kwalitatieve zorgverlening – en een eigen juridische waarde, zowel tussen de overheid en de zorginstelling als naar de cliënt toe. De instrumenten lijken niet steeds doordacht gekozen en gehanteerd; daarnaast zijn talrijke vragen te stellen bij de juridische waarde van de verschillende instrumenten. Wat is bijvoorbeeld de rechtspositie van een welzijnscliënt ten aanzien van een erkenningsnorm van een welzijnsvoorziening en wat is de rechtspositie van een patiënt ten aanzien van de overeenkomst gesloten tussen een gezondheidszorgvoorziening en de overheid? Bovendien dient elk individueel instrument geplaatst te worden binnen het gehele overheidsinstrumentarium binnen de zorgsector, of nog binnen de ‘instrumentmix’ gehanteerd door de bevoegde overheid. Op dit vlak rijzen volgende vragen: in hoeverre is er meer eenvormigheid tussen de instrumenten wenselijk en mogelijk? In hoeverre zijn bepaalde instrumenten te integreren in andere instrumenten? In hoeverre is het nodig om een onderscheid te maken in de sturingsinstrumenten voor publieke en private instellingen? Is er overlap of zijn er juist hiaten binnen deze instrumentenmix?

Onderzoeksvraag
De verschillende - publiekrechtelijke en privaatrechtelijke – actoren aan de aanbodzijde in de zorgsector dienen de kwalitatieve zorgverlening centraal te stellen. De overheid, die de (grondwettelijke) eindverantwoordelijkheid voor het zorgbeleid en de uitvoering ervan draagt, dient deze actoren te stimuleren te streven naar een goede – en efficiënte – uitvoering van het zorgbeleid en een kwalitatieve zorgverlening centraal te stellen. Een zorgvoorziening streeft immers niet steeds uit eigen beweging een zo groot mogelijke efficiëntie en kwaliteit na. Hiertoe zijn externe stimulansen nodig, zoals toezichtsmechanismen, het geven van een financieel belang, het geven van meer verantwoordelijkheid… De overheid dient hierbij te voorzien in een systeem waarbij de betrokken actoren voldoende ‘incentives’ hebben om rekening te houden met minimale kwaliteitseisen, waaraan de zorgverlening moet voldoen, waarvan een minimale rechtsbescherming van de cliënt deel uitmaakt. Welke instrumenten worden gehanteerd en wat is hun juridische waarde, zowel in de rechtsverhouding tussen de zorginstelling en de overheid? Wordt het meest gepaste instrument gehanteerd? En wat zijn de rechtsgevolgen van een bepaald instrument voor de cliënt?

Naast de vragen omtrent elk sturingsinstrument afzonderlijk, rijzen vragen met betrekking tot de instrumentenmix. Volstaat het huidige overheidsinstrumentarium in de zorgsector als ‘incentive’? En worden de ‘juiste’ instrumenten gehanteerd in functie van de doelstelling (de individuele doelstelling van het instrument in combinatie met de ‘incentive’ doelstelling) en in functie van de andere sturingsinstrumenten (instrumentenmix)?

Methodiek
Dit onderzoek steunt op een parallel onderzoek dat gevoerd wordt in de socialezekerheidssector en dat in de loop van 2008 zal worden afgerond. De methode en de (deel)resultaten van dit onderzoek in de socialezekerheidssector worden getransponeerd naar de zorgsector en – zo nodig – aangepast aan de specifieke eigenschappen van de zorgsector, die deels gelijk lopen met de sociale zekerheid, maar tegelijk ook erg verschillen. Hoewel beide het ‘welzijn’ van de burger bevorderen, een taak van algemeen belang uitmaken en deels door de overheid en deels door privaat initiatief worden uitgeoefend, bestaat de dienstverlening in de (federale) sociale zekerheid voornamelijk in financiële tegemoetkomingen, waar de dienstverlening in de (overwegend deelstatelijk georganiseerde en gereglementeerde) zorgsector voornamelijk in een zorgverlening bestaat .

Het onderzoek vangt aan met het in kaart brengen van de verschillende overheden en hun ‘sturingsbevoegdheid’ ten aanzien van de zorginstellingen. Een belangrijk onderscheid is immers te maken tussen de instrumenten die gehanteerd worden door de verschillende overheden, zoals de federale overheid (bv. grondwettelijke bepalingen), de deelstatelijke overheid (bv. de subsidiëringsnormen) en de Europese overheid (bv. de dienstenrichtlijn en de gevolgen hiervan ). De bevoegdheid van de verschillende overheden – binnen de overheden kan ook een onderscheid gemaakt worden tussen de instrumenten gehanteerd door de wetgever en door de administratie – ten aanzien van de Vlaamse zorgvoorzieningen en hun verhouding ten opzichte van het principe van de vrijheid van vereniging en de vrijheid van dienstverlening, worden onderzocht op basis van een studie van de wetgeving, de rechtspraak en de literatuur.

Bovendien is er niet enkel een onderscheid in het instrumentarium afhankelijk van de overheid die het hanteert; de instrumenten verschillen ook naar gelang van de actor tot wie de overheid zich met het betreffende instrument richt. Dit onderzoek richt zich tot instrumenten die de overheid hanteert ten aanzien van de zorginstellingen en –voorzieningen; deze kunnen verschillen naar gelang van de aard van de instelling. Bij de uitvoering van het zorgbeleid zijn immers heel wat instellingen betrokken, zowel publieke als private instellingen die erg verschillende rechtsvormen (kunnen) aannemen en al dan niet een winstoogmerk nastreven. Een bijzondere rol is hierbij weggelegd voor de privaatrechtelijke instellingen die voldoen aan (een aantal) organieke en functionele criteria en als gevolg hiervan gekwalificeerd worden als ‘administratieve overheden’ of ‘bestuursinstanties’. Gevolg van de kwalificatie als administratieve overheid is dat de privaatrechtelijke instelling zich – minstens in zoverre zij beslissingen neemt die derden binden – ten aanzien van de burger (in casu de cliënt) dient te gedragen zoals de overheid, bijvoorbeeld door het naleven van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en de openbaarheidsregeling . Dit onderzoeksdeel gebeurt aan de hand van een literatuurstudie en een wetgevings- en rechtspraakanalyse.

Daarna wordtl het volledige instrumentarium waarover de overheid ten aanzien van de actoren binnen de zorgsector beschikt, in concreto (juridisch) onderzocht. Hiervoor dienen vooreerst deze instrumenten te worden geïnventariseerd. Via de analyse van bestaande wetgeving worden de gehanteerde instrumenten ten aanzien van de zorgvoorzieningen en -instellingen in kaart gebracht. Het samenbrengen van de informele instrumenten gebeurt aan de hand van een bevraging binnen de zorgsector.

Het juridische onderzoek behelst de juridische mogelijkheid waarover de overheid beschikt om een specifiek instrument te hanteren ten aanzien van een (publiekrechtelijke dan wel een privaatrechtelijke) instelling. Ook het instrument op zich wordt juridisch geanalyseerd, waarbij ook steeds kort de ontstaansgeschiedenis en de bestaansreden – de doelstelling - van het instrument aan bod komen. Aan de hand van een algemene juridische studie van deze instrumenten – in eerste instantie binnen het oorspronkelijke rechtsdomein en in tweede instantie binnen de zorgsector – en de analyse van bestaande wetgeving en rechtspraak worden de voor de zorgsector positieve en negatieve kenmerken van elk instrument opgetekend.

Na de bespreking van de verschillende instrumenten, worden de instrumenten afzonderlijk getoetst om na te gaan in hoeverre ze noodzakelijk zijn voor de bevordering van de kwaliteit van de dienstverlening en niet reeds overlappen met andere instrumenten (en op die manier het welzijns- en gezondheidsrecht nodeloos complex maken). Het toetsingskader steunt op de principes van ‘government governance’ en ‘social governance’ , waarbij de kernelementen zijn: de rechten en de rol van de ‘stakeholders’, gelijke behandeling, transparantie, verantwoordelijkheid en het ‘governance kader’. Bij de toetsing aan het ‘governance kader’ wordt het (individueel) onderzochte instrument bekeken binnen het volledige instrumentarium dat de overheid binnen de zorgsector hanteert. Op die manier wordt ook de instrumentenmix onder de loep genomen: in hoeverre is er meer eenvormigheid tussen de instrumenten wenselijk en mogelijk? In hoeverre zijn bepaalde instrumenten te integreren in andere instrumenten? In hoeverre is het nodig om een onderscheid te maken in de sturingsinstrumenten voor publieke en private instellingen? Is er overlap of zijn er juist hiaten binnen deze instrumentenmix?

Voorstellen ter verbetering of verfijning van individuele instrumenten dan wel de instrumentenmix worden geformuleerd. Via het totaalbeeld voor de zorgsector en voor elke afzonderlijke deelsector kunnen voorstellen geformuleerd worden die het geheel overzichtelijker maken, zowel voor de cliënt, de voorziening als de overheid.

Output
Het belang van dit onderzoek ligt zowel op wetenschappelijk als op beleidsvlak.

Het onderzoek resulteert in een fiche van de verschillende instrumenten binnen de zorgsector, met hun kenmerken. Via deze fiches kan de overheid bij het nastreven van een specifiek doel een doordachte keuze maken uit het instrumentenspectrum.

Door het in kaart brengen en analyseren van de verschillende instrumenten kunnen aanbevelingen gedaan worden aangaande doelstellingen die onnodig door verschillende instrumenten worden nagestreefd, en aangaande overlappingen en hiaten in sectorale erkenningsnormen en sectorspecifieke (erkennings)reglementering en algemene en specifieke toezichts- en inspectienormen… Ook worden de meest geëigende instrumenten voor bepaalde specifieke (deel)doelstellingen aangeduid. Op die manier worden beleidsaanbevelingen geformuleerd om te komen tot een vereenvoudiging en verfijning van het overheidsinstrumentarium.

Dit onderzoek kan daarnaast gezien worden als een aanzet voor een verdere studie naar een overkoepelend decreet voor de zorgsector, waarin in eerste instantie de basisreglementering aangaande het overheidsinstrumentarium kan worden opgenomen.

Concrete valorisatiemogelijkheden
Dit onderzoek resulteert in een aantal wetenschappelijke artikelen. Daarnaast worden de belangrijkste onderzoeksbevindingen gerapporteerd en opgenomen in het door het Steunpunt geplande jaarboek. Over elk instrument wordt een korte nota opgesteld, met een definitie, de achtergronden, voorbeelden en analyses; deze nota’s worden gepubliceerd op de website van het Steunpunt. Het onderzoeksrapport eindigt met het formuleren van beleidsaanbevelingen.

Tijdens het onderzoek wordt een discussieronde met beleidsverantwoordelijken en sleutelfiguren uit de zorgpraktijk georganiseerd met betrekking tot het in kaart brengen van de informele instrumenten en de – in de praktijk ervaren – positieve elementen en pijnpunten van het bestaande overheidsinstrumentarium.

Tenslotte worden evoluties in de administratiefrechtelijke aspecten van de zorgsector opgevolgd en kunnen hieromtrent vragen gesteld worden.

Fasering (12 onderzoeksmaanden)
De eerste 2 maanden wordt besteed aan het omzetten van het toetsingskader naar de zorgsector, het in kaart brengen van de voorzieningen en hun administratiefrechtelijk statuut en van de overheden en hun bevoegdheden met betrekking tot het sturen van de zorginstellingen. In de volgende fase worden alle overheidsinstrumenten afzonderlijk onderzocht (7 maanden). De  3 laatste maanden gaan naar de evaluatie (toepassing toetsingskader en evaluatie instrumentenmix) en het formuleren van beleidsaanbevelingen.

Voetnoten


Voor de definitie van ‘taak van algemeen belang’ en de kwalificatie van de dienstverlening in de welzijnszorg als taak van algemeen belang, zie V. VERDEYEN en J. PUT, “Openbaarheid van bestuur in de Vlaamse welzijnsvoorzieningen”, T.S.R. 2005, 515-571.
terug


W. BLOCKEN, K. DEWEERDT, I. VAN DER STRAETE en V. VERDEYEN, “Welzijnsrecht in het kielzog van de sociale zekerheid”, in D. SIMOENS, D. PIETERS, J. PUT, P. SCHOUKENS en Y. STEVENS (eds.), Sociale zekerheden in vraagvorm. Liber amicorum prof. dr. Jef Van Langendonck, Antwerpen, Intersentia, 2005, 41-65.
terug


Hierover werd aan het Instituut voor Sociaal Recht K.U.Leuven reeds een beleidsvoorbereidende studie gedaan: J. PUT, P. SCHOUKENS & I. VERDONCK, Verkennende impactstudie van het ontwerp van dienstenrichtlijn voor de Vlaamse welzijnssector, Studie uitgevoerd in opdracht van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Departement Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur, januari-februari 2006, 37 p.
terug


Dit onderzoek werd reeds deels gevoerd in het kader van onderzoek rond het toepassingsgebied van het Decreet Openbaarheid Bestuur. De interpretatie van bepaalde administratiefrechtelijke begrippen – zoals administratieve overheid en bestuursinstantie - heeft belangrijke gevolgen in de welzijnssector (V. VERDEYEN en J. PUT, “Openbaarheid van bestuur in de Vlaamse welzijnsvoorzieningen”, T.S.R. 2005, 515-571). Na een recente cassatierechtspraak werd bijvoorbeeld plots de ombudsman onbevoegd ten aanzien van de sociale huisvestingsmaatschappijen, als gevolg van een wijziging in de interpretatie van het administratiefrechtelijke begrip administratieve overheid (V. VERDEYEN, “Administratieve overheden: een organieke nuancering van de functionele benadering”, C.D.P.K. 2006, ter perse). Dit leidde tot een aanpassing van het toepassingsgebied van het Decreet betreffende de Vlaamse ombudsdienst (Decreet 23 juni 2006 houdende wijziging van het decreet van 7 juli 1998 houdende instelling van de Vlaamse ombudsdienst, B.S. 1 september 2006).
terug


Government governance is het waarborgen van de onderlinge samenhang van de wijze van sturen, beheersen en toezicht houden, gericht op een kwalitatieve realisatie van beleidsdoelstellingen met aandacht voor de belanghebbenden (communicatie, verantwoording, rechtsbescherming). Hieromtrent wordt onderzoek gevoerd door het Steunpunt Bestuurlijke Organisatie Vlaanderen, project government governance: theoretical and normative models of good governance within the Flemish public sector, http://soc.kuleuven.be/sbov/eng/research/epr13.htm.
terug


V. VERDEYEN en B. VAN BUGGENHOUT, “Social governance: corporate governance in instellingen van de sociale zekerheid, de welzijns- en de gezondheidszorg”, R.W. 2001-2002, 1373-1387.
terug

Terug naar top

     

   
PBWeb © 2007
Logo KULeuven Logo Lucas Logo UGent Logo VUB Logo KHK Logo Steunpunten