We beschikken op dit moment reeds over een uitgebreide en nog steeds groeiende databank van 50.000 ouderen in Vlaanderen. Deze levert gegevens aan die op diverse manieren aangewend kunnen worden. Wanneer dat noodzakelijk blijkt, kunnen bijkomende data verzameld worden.
De vragenlijst is bovendien vertaald in, onder meer, Turks en Italiaans zodat ook gegevens over oudere migranten of asielzoekers verzameld kunnen worden. Bovendien worden momenteel in Italië en Nederland pilootstudies uitgevoerd met dezelfde vragenlijst en dezelfde methodologie. Andere landen toonden zich reeds geïnteresseerd om eveneens aan te sluiten. Dit zou ons toelaten om de Vlaamse data te vergelijken met data uit andere Europese landen.
lees meer
Zoals reeds in de inleiding van dit voorstel werd geschetst, neemt het aandeel van de groep ouderen gestaag toe in Vlaanderen. Terwijl de meesten onder hen geen noemenswaardige problemen kennen, heeft een niet te verwaarlozen aantal toch problemen van onwelbevinden. De Nationale Gezondheidsenquête (http://www.iph.fgov.be/epidemio/epinl/crospnl/hisnl/his04nl/his21nl.pdf) toont bijvoorbeeld aan dat subjectieve gevoelens van slechte gezondheid toenemen met de leeftijd. Problemen van eenzaamheid, onveiligheidsgevoelens en depressie worden vaak aangehaald. Cross-sectionele statistieken zijn hierover wel beschikbaar (Nationale Gezondheidsenquête, Vlaams LOVO-onderzoek en andere), maar het inzicht in de wijze waarop mensen al dan niet omgaan met deze problemen, in de wijze waarop ze hulp zoeken en in de trajecten die ze afleggen, ontbreekt.
Daarom wordt een steekproef van 1200 ouderen opgevolgd, vanaf het moment dat zij hulp zoeken bij een thuiszorgdienst. Deze diensten bieden thuis niet-medische hulp, zoals huishoudelijke hulp, aan. Zij bereiken een groot aantal mensen van verschillende leeftijden en verschillende niveaus van hulpnoden en gezondheidsproblemen. Met de samenwerking van deze diensten kunnen we symptomen van onwelbevinden zeer vroeg detecteren, wat ons toelaat op verschillende manieren op te volgen, te evalueren en te interveniëren.
Ten eerste wordt er gescreend voor mogelijk risico op depressie. Dit laat toe na te gaan onder welke omstandigheden en voorwaarden onwelbevinden zich ontwikkelt tot een klinische depressie en hoe dit in een vroeg stadium kan worden voorkomen. De resultaten van het cross-sectioneel onderzoek van Dominique Verté voorzien ons per regio van algemene statistieken en een normgroep wat betreft onwelbevinden en subjectieve gezondheid.
Ten tweede willen we screenen voor cognitieve problemen. Ouderen met dementie vormen een groeiende groep die nood heeft aan uitgebreide en vaak gecompliceerde zorg. Momenteel is er zeer weinig bekend over de trajecten die deze mensen afleggen vanaf het moment dat zij cognitieve problemen krijgen tot op het einde van hun leven. Wel is bekend dat ongeveer 75% van de ouderen met dementie thuis verblijft, maar onbekend is welke zorg zij gebruiken en of die zorg inderdaad aan al hun behoeften voldoet. Het inzicht is ook beperkt in de omstandigheden waarin voor residentiële zorg wordt gekozen en of dit op dat moment ook werkelijk de beste optie is, zowel op persoonlijk vlak als beleidsmatig. Het doel van dit deel van het longitudinaal onderzoek is het bestuderen van de toegankelijkheid, de performantie, de efficiëntie en de effectiviteit van het zorgsysteem voor ouderen met dementie.
Voor dit onderdeel van het onderzoek zullen we samenwerken met Dr. Jan De Lepeleire van het Academisch Centrum voor Huisartsengeneeskunde van de K.U.Leuven, die ondermeer het Qualidem-onderzoek heeft geleid (http://www.ulg.ac.be/psysante/qualidem/p22.htm).
De regio’s waarin de steekproeven worden getrokken, zijn dezelfde als bij de andere doelgroepen (kinderen en jongeren, en volwassenen).
Afhankelijk van de resultaten van de gap-analyse kunnen vanzelfsprekend nog andere doelgroepen geselecteerd en gevolgd worden.
Ook bij de ouderen wordt een koppeling gemaakt op niveau van het individu van het zorggebruik in de welzijnssector, met het zorggebruik in de gezondheidszorgsector. Op deze wijze kunnen interacties tussen de 2 zorgsectoren duidelijk worden.