ENGLISH
  Korte termijnopdrachten 2007
Home
 
 
Onderzoek
Jaarplan
Publicaties
 
 
Partners
Netwerk
 
 
Nieuwsbrief
Agenda
Vacatures
 
 
Contact
 
 
Links
  • Project 1: Opvang en begeleiding van personen met een verstandelijke beperking die geïnterneerd zijn in een gevangenis
  • Project 2: Effectevaluatie spreekuur volgens de methodiek van Triple P (level 3) en vergelijking outcome spreekuur Triple P met het huidige spreekuur opvoedingsondersteuning
  • Project 3 : Validatie van een protocol vraag- en aanbodverheldering voor de preventieve gezinsondersteuning van Kind en Gezin en het uitwerken van een implementatietraject
  • Project 4 : Evaluatie time-outprojecten Bijzondere Jeugdbijstand
  • Project 5 : Onderzoek naar deugdelijk bestuur in de nonprofit welzijns- en gezondheidssector
  • Project 6 : Toekomstig landschap ziekenhuisvoorzieningen, in coherentie met de eerste lijnszorg, in Vlaanderen

Opvang en begeleiding van personen met een verstandelijke beperking die geïnterneerd zijn in een gevangenis

Al enkele jaren voert het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap (VAPH) een specifiek beleid ten aanzien van geïnterneerden met een verstandelijke beperking. Zowel wat opvang als begeleiding betreft is de gevangenisomgeving voor deze mensen onaangepast – het gaat hier dank ook niet om gedetineerden maar om geïnterneerden. Het huidige aanbod binnen bestaande voorzieningen omvat slechts twee dagcentra, goed voor 32 plaatsen, en drie units (3x10 plaatsen). Het VAPH wenst hieromtrent een meer gericht beleid te voeren. Dit begint bij een evaluatieonderzoek naar deze specifieke zorgvorm.

Dit onderzoek omvat viertal sporen:

      • een beschrijvende analyse van het doelgroepbereik en inzet van middelen van het huidige erkende en gesubsidieerde aanbod.
      • een orthoagogische analyse van de begeleidingsmethodieken met aandacht voor vergelijking met gelijkaardige ondersteuningsprofielen buiten de specifieke context van de gevangenis
      • een evaluatie van de mate waarin de doelstellingen worden bereikt in termen van effect van de specifieke begeleiding op het gedrag en functioneren van de doelgroep, en in termen van de economische efficiëntie van de inzet van middelen. 
      • een beschrijving van knelpunten in het huidige aanbod

      Promotor: Prof. Dr. Johan Goethals
      Co-promotor: Prof. Dr. Bea Maes

      Download hier het rapport (PDF) - Samenvatting

      Terug naar top

     

Effectevaluatie spreekuur volgens de methodiek van Triple P (level 3) en vergelijking outcome spreekuur Triple P met het huidige spreekuur opvoedingsondersteuning

Omschrijving
In de stad Antwerpen wordt gestart met een proefproject Triple P (level 2 en 3).
Doelstelling van het project is evidence based opvoedingsondersteuning aanbieden op een vraaggerichte en methodische manier aan ouders met opvoedingsvragen en lichte opvoedingsproblemen.
In concreto: het verhogen van de ouderlijke competenties, het versterken van het competentiegevoel en positieve beleving van het ouderschap, het verminderen van dwingende opvoedingsstijlen, het verbeteren van de ouderlijke communicatie over opvoeding, het verminderen van ouderlijke stress en het verminderen van probleemgedrag bij kinderen.

Het is bedoeling om bij een positieve evaluatie het spreekuur opvoedingsondersteuning in Vlaanderen te vervangen door dit Triple P-aanbod.

Opdracht
De opdracht voor het Steunpunt WVG bestaat erin:

  1. Kind en Gezin te ondersteunen bij de voorbereiding van de meting: bij het onderzoeksdesign (o.a. samenstelling van de proef- en controlegroep) en bij de meetinstrumenten (bruikbaar van de meetinstrumenten in de KG-context);
  2. Input en verwerking van de vragenlijsten;
  3. Rapportering.

Verankering
Deze opdracht past in programma 2 “Evaluatie en ontwikkeling”.
Deze opdracht is ook belangrijk voor het programma 1 – longitudinaal onderzoek gezinnen en jeugd. De gegevens uit de metingen kunnen bijdragen om de hulpvragen en –behoeften beter in kaart te brengen.

Methode
Uit de in het kader van Triple P internationaal gebruikte instrumenten voor effectevaluatie zullen volgende instrumenten mogelijks worden afgenomen in Vlaanderen:
  1. Goal Achievement scales (voor het meten van gedragsverandering (gepercipieerd effect) en de tevredenheid
  2. Parenting Scale (voor het meten van de opvoedingsstijl)
  3. Depression Anxiety Stress Scales (voor het meten van het competentiegevoel en de ouderlijke stress)
  4. Parenting Experience Survey (voor het meten van gedragsveranderingen, competentiegevoel en ervaren steun)
  5. Client Satisfaction Questionnaire (voor het meten van gedragsverandering en tevredenheid). 

De vragenlijsten/schalen worden door de betrokken ouders ingevuld op papier ingevuld. Een webapplicatie wordt momenteel onderzocht.

Output
Effecten m.b.t. de hoger genoemde doelstellingen, zoals door de ouders gerapporteerd met behulp van geobjectiveerde instrumenten.

Promotor: Prof. Dr. Johan Vanderfaeillie
Co-promotor: Prof. Dr. Hans Grietens

Download hier het rapport (PDF) - Samenvatting

Terug naar top

     

Validatie van een protocol vraag- en aanbodverheldering voor de preventieve gezinsondersteuning van Kind en Gezin en het uitwerken van een implementatietraject

Omschrijving
Kind en Gezin werkt momenteel aan de vernieuwing van de preventieve gezinsondersteuning. Voor elke (aanstaande) ouder die wenst gebruik te maken van de dienstverlening van Kind en Gezin zal deze dienstverlening van start gaan met een verheldering van de vraag van het gezin en het aanbod van Kind en Gezin. Door middel van een dialoog tussen de medewerker van Kind en Gezin en de ouders wordt een inschatting gemaakt van de behoefte aan dienstverlening en ondersteuning op de verschillende levensdomeinen die van belang zijn voor de ontwikkeling van het kind.

De medewerker zal ook duidelijke informatie bieden over het gediversifieerd en modulair aanbod van Kind en Gezin. Samen met het gezin zullen afspraken worden gemaakt die resulteren in een ondersteuningsplan op maat van het gezin. Deze vraag en aanbodverheldering zal gebeuren op een methodische wijze, via een protocol.

Opdracht
Validering van het instrument protocol voor de module vraag- en aanbodverheldering en uitwerking van een implementatietraject (de implementatie zelf wordt door Kind en Gezin opgenomen).

Verankering
deze opdracht past in programma 2 “Evaluatie en ontwikkeling”.
en is ook belangrijk voor programma 1 – longitudinaal onderzoek gezin en jeugd, want het kan bijdragen om de hulpvragen en –behoeften beter in kaart te brengen. Na validatie kan de module vraag- en aanbodverheldering worden toegevoegd aan het takenpakket van de regioverpleegkundigen van Kind en Gezin, wat inhoudt dat er conform dit protocol een aantal items zullen worden geregistreerd in Ikaros/Mirage

Methode

  • Inhoudelijke validatie van het door Kind en Gezin ontworpen protocol, aan de hand van wetenschappelijke literatuur.
  • Ondersteuning bij het opzetten van een proefimplementatie (steekproeftrekking en afname worden opgenomen door Kind en Gezin).
  • Input van de afgenomen protocollen (alleen in geval er binnen Kind en Gezin geen oplossing kan worden gevonden voor een elektronische registratie)
  • Analyse van de afgenomen protocollen:
    • eventuele reductie van de items
    • analyse van de betrouwbaarheid (interne consistentie)
    • analyse van de validiteit (voornamelijk de interne validiteit)
  • Uitwerken van een implementatietraject.

Output
Gevalideerd protocol voor vraag- en aanbodverheldering bij zeer jonge kinderen en een voorstel van implementatietraject.

Promotor: Prof. Dr. Hans Grietens
Co-promotor: Prof. Dr. Johan Vanderfaeillie

Download hier het rapport (PDF) - (Samenvatting)

Terug naar top

     

Evaluatie time-outprojecten Bijzondere Jeugdbijstand

Omschrijving
Het voorliggende onderzoeksvoorstel betreft de 5 time-outprojecten die de Vlaamse overheid sedert 2002 financiert. Deze projecten hebben zich de voorbije jaren op diverse wijze ontwikkeld (instroom, betrokkenheid van de voorziening van herkomst, nabegeleiding, …) en hanteren verschillende methodieken (staptocht, verblijf op boerderij, …) waardoor de eenheidskost per begeleiding van project tot project sterk varieert.

Time-outprojecten beogen vastgelopen of moeilijk lopende begeleidingen - hetzij residentieel, hetzij (semi-)ambulant - te deblokkeren door de minderjarige voor een beperkte periode, meestal 1 à 2 weken, uit deze begeleidingscontext te halen en zo een moment van afstand en rust te creëren. Gedurende deze periode wordt aan probleeminzicht gewerkt en gezocht naar antwoorden op en oplossingen voor het vastlopen van de hulpverlening.

De private sector en de verwijzende instanties ervaren deze projecten als positief. De betrokken projecten zijn:

    • Wingerdbloei, time-outproject Antwerpen, 24 begeleidingen per jaar;
    • Ter Loke, Time-outproject arrondissement Turnhout, 50 begeleidingen per jaar;
    • Albezon, time-outproject samenwerkingsverband Oudenaarde, 150 begeleidingsdagen per jaar;
    • De Grote Robijn, La Strada Antwerpen, 44 begeleidingen per jaar;
    • Huize Sint-Augustinus, time-outproject Limburg, 47 begeleidingen per jaar;
    • TOOL, Oikoten, Tildonk, Vlaams Brabant.

Opdracht
Objectieve en wetenschappelijke evaluatie van de projecten om het Vlaamse beleid ten aanzien van de bestaande projecten en eventueel de verdere ontsluiting van het time-outaanbod te onderbouwen.

Verankering
Programma 2: Evaluatie van het functioneren van de gezondheids- en welzijnsvoorzieningen

Methode
Van de verschillende projecten worden de opeenvolgende processtappen in de begeleiding en de betrokkenheid van de diverse betrokken actoren in kaart gebracht. Vanuit een vergelijkende sterkte-zwakteanalyse van de verschillende projecten wordt een generiek kader/programma ontwikkeld dat de sterkte van het aanbod maximaliseert en waarbinnen elk time-outinitiatief zich moet positioneren.

De opdracht betreft eveneens een onderzoek naar de effectiviteit van de verschillende projecten (welke methodieken werken?) gekoppeld aan de inzet van middelen (efficiëntie).

Output

  • generiek kader/programma waarop de bestaande (en eventueel nieuw op te starten) projecten zich moeten enten;
  • conclusies en aanbevelingen betreffende de verhouding ingezette middelen-methodiek-resultaat

Promotor: Prof. Dr. Johan Vanderfaeillie
Co-promotor: Prof. Dr. Hans Grietens

Download hier het rapport (PDF) - (Samenvatting)

Terug naar top

     

Onderzoek naar deugdelijk bestuur in de nonprofit welzijns- en gezondheidssector

Omschrijving
De jongste jaren gaat er om diverse redenen wereld heel wat aandacht naar deugdelijk bestuur in for-profit organisaties. Daarbij gaat men onder andere op zoek naar het juiste evenwicht tussen beheer en management, maar ook tussen de verschillende partners die belang hebben bij het ondernemingsgebeuren. Ook stelt zich de vraag in hoeverre zelfregulering in deze volstaat, dan wel of dergelijk evenwicht voorwerp van regelgeving moet uitmaken. In België mondde dit corporate governance debat uit in de codes Lippens en Buysse voor respectievelijk beursgenoteerde en niet-beursgenoteerde ondernemingen.

Dit debat heeft echter veel minder plaatsgevonden in de socialprofitsector in het algemeen en de welzijns- en de gezondheidssector in het bijzonder. Sinds enige tijd is hierin evenwel beweging, gelet op de publieke verwachtingen gesteld aan private initiatiefnemers – gekoppeld aan de grote financiële inbreng van de Vlaamse overheid – en de opgang van de idee van het ‘maatschappelijk verantwoord ondernemen’. Parallel vindt een soort van ‘tweede professionaliseringsgolf’ plaats: na de werkvloer, nu het beheer.
Vooralsnog ontbreekt het evenwel aan een breed gedragen en uitgewerkt systeem van checks and balances die een deugdelijk bestuur van gezondheids- en welzijnsvoorzieningen moeten garanderen. Dit onderzoek wil een bijdrage leveren aan het debat over en mogelijke toekomstpistes voor deugdelijk bestuur in de socialprofit.

Meer concreet zal het onderzoek zich inhoudelijk onder andere toespitsen op volgende thema’s, toegepast op private welzijns- en gezondheidsvoorzieningen met vzw-statuut:

  • De taakverdeling tussen de algemene vergadering, raad van bestuur en management.
  • Onafhankelijkheidsnormen, functiescheiding en onverenigbaarheden.
  • Behoefte aan overheidsregulering of zelfregulering voor deze verschillende thema’s.

Opdracht
Verzamelen van de praktijken terzake in enkele relevante Europese landen, en het vergelijken van zelfreguleringspraktijken die vandaag in Vlaanderen bestaat. De verschillende deelsectoren uit welzijn en gezondheid moeten daarbij aan bod komen.

Methode
Methodologisch wordt het onderzoek opgesplitst in twee delen:

  • Enerzijds een theoretisch deel, waar gekeken wordt naar bestaande governance modellen en wetgevende initiatieven binnen de welzijns- en gezondheidszorgsector, aanpalende beleidsdomeinen en het buitenland.
  • Anderzijds een praktisch deel, waar dieper wordt ingegaan op bestaande praktijken in de welzijns- en de gezondheidssector en dit zowel op het niveau van het beleid, de sectoren en de koepelorganisaties als op het niveau van de social profit ondernemingen (voorzieningen en diensten).

Output
- Werknota over ‘governance’ in de nonprofit zorgsector
- Opstellen van algemene onderzoeksbevindingen en aanbevelingen ten behoeve van de stuurgroep;
- Organisatie van een colloquium;
- Rapport met overzichtsbijdrage over (social) governance en onderzoeksbevindingen, aanbevelingen van de begeleidingsgroep en verslaggeving van het colloquium.

Promotor: Prof. Dr. Johan Put
Onderzoeker: Maarten Janssens

Duur: 12 maanden

Het boek is te verkrijgen bij Acco Uitgeverij.

Terug naar top

     

Toekomstig landschap ziekenhuisvoorzieningen, in coherentie met de eerste lijnszorg, in Vlaanderen

Omschrijving
De evolutie in de medische wetenschap gaat razendsnel, maar de organisatorische componenten voor een optimale volksgezondheid volgen dit tempo niet. Volgens de Wereldgezondheidsorganisatie delen de gezondheidssystemen over de ganse wereld de volgende karakteristieken:

  1. ze zijn georganiseerd i.f.v. zorg bieden voor acute ziektes
  2. in de aanpak wordt de rol van de patiënt niet benadrukt
  3. opvolging gebeurt sporadisch
  4. gemeenschapsvoorzieningen worden vaak over het hoofd gezien
  5. preventie blijft onderbenut

Vlaanderen dient daarom de zorg beter af te stemmen op de noden van de actuele en toekomstige generaties:

Om de groeiende groep chronische zieken beter te helpen dient overgeschakeld te worden op een wetenschappelijk onderbouwd organisatiemodel voor de gezondheidszorg.

De samenhang van de ontwikkelingen in ziekenhuizen met huidige en toekomstige noden en verwachtingen met de patiënt moet verder uitgewerkt worden. Ook de positie van de ziekenhuizen in het geheel van de gezondheids- en welzijnzorg moet verhelderd worden.

Steeds meer stelt zich de vraag naar een opdeling tussen voldoende basisgezondheidszorg, regionale ziekenhuissettings en de rol van de universitaire ziekenhuizen. Hierbij is niet duidelijk wat geldt als basiszorg en dus welke ziekenhuisfuncties en –diensten binnen welke straal aanwezig moeten zijn om een patiëntveilige en effectieve gezondheidzorg uit te bouwen.

Opdracht
Voor het onderzoek zijn volgende vragen richtinggevend:

  • Hoe komen tot een verdere uitbouw en concretisering van het netwerkmodel in Vlaanderen?
  • Hoe het netwerkmodel ‘inbreiden’ naar de eerste lijn? Hoe hierbij welzijnsvoorzieningen, gehandicaptenzorg en residentiële ouderensettings in rekening brengen?
  • Hoe het netwerkmodel uitbreiden in Europese context, onder welke voorwaarden, welke zijn de voordelen en hoe kunnen nadelen beperkt worden?

Concrete doelen

  1. Wat is een ‘netwerk’ in de gezondheidszorg en welzijnszorg ? (definiëring van het begrip netwerk, kenmerken van netwerken (bv. de bindingsintensiteit, de mate van integratie en meer specifiek verticale integratie). Vooral aandacht voor de organisatie van een netwerk en netwerken waarin de continuïteit van zorg wordt nagestreefd (relatie tussen ziekenhuizen, welzijnsvoorzieningen, gehandicaptenzorg, residentiële ouderenzorg en huisartsen).
  2. Netwerken in de Europese/internationale gezondheidszorg: een inventarisatie van wat er bestaat in andere (Europese) landen.
  3. Punt 1 en 2 moeten leiden naar een typologie van netwerkmodellen voor de gezondheidszorg & welzijnszorg met hun voor- en nadelen.
  4. Netwerken in de gezondheidszorg: een inventarisatie in Vlaanderen. Op basis van de typologie van netwerkmodellen proberen we een inzicht te verschaffen in het soort netwerken dat reeds bestaat in de Vlaamse gezondheidszorg en welzijnszorg. In deze fase gaan we ook na wat de problemen of hinderpalen zijn om tot bepaalde vormen van netwerking te komen en wat de behoeften/wensen zijn.  Naast de nationale context wordt de Europese context hier meegenomen.
  5. Een kritische analyse van de huidige situatie ten aanzien van de behoeften die er bestaan met een duidelijk advies van netwerkmodel voor de gezondheidszorg en welzijnszorg in Vlaanderen.

Methode

1,2 en 3: literatuurstudie, desk research en contact met (buitenlandse) experten
4: empirisch onderzoek (via focusgroep gesprekken of interviews)
5: expertenpanel

Resultaat

  • Een eindrapport met een antwoord op de vragen die onder ‘doelstelling’ in dit document werden geformuleerd.
  • Een ‘boekje’ gericht op het management en de beleidsmensen in de zorgsector met een duidelijke beschrijving van wat netwerken zijn, de soorten netwerken die er bestaan en de voor- en nadelen ervan, als ook een toekomstvisie voor Vlaanderen.

Verankering
Programma 2 en programma 3

Promotor: Prof. Dr. Jan De Maeseneer
Co-promotor: Prof. Dr. Paul Hemmel
Vakgroep Beleidsinformatie, Operationeel Beheer en Technologiebeleid, Faculteit Economie en Bedrijfskunde, Universiteit Gent, Tweekerkenstraat 2, 9000 Gent
Onderzoekers: Pascal Van den holen en Lieven Deraedt

Duur: 8 maanden

Download hier het rapport (PDF)

Terug naar top

     

   
PBWeb © 2007
Logo KULeuven Logo Lucas Logo UGent Logo VUB Logo KHK Logo Steunpunten