ENGLISH
  Nieuwsbrief 6 - oktober 2008
Home
 
 
Onderzoek
Jaarplan
Publicaties
 
 
Partners
Netwerk
 
 
Nieuwsbrief
Agenda
Vacatures
 
 
Contact
 
 
Links

De toekomst van het Vlaamse ziekenhuislandschap

Het voorbije decennium werd het aantal ziekenhuizen in Vlaanderen en België sterk gereduceerd. De Vlaamse overheid en VIPA kenden infrastructuursubsidies toe aan ziekenhuizen die naar één nieuwe campus verhuizen. De begeleiding van deze fusiebeweging is zonder meer een grote verdienste van de Vlaamse overheid. Het aantal ziekenhuizen in Vlaanderen en België lag immers te hoog en de gemiddelde schaalgrootte was te klein om diverse medische ontwikkelingen te kunnen opvolgen. Verschillende experts uit de gezondheidszorg in Vlaanderen zijn van mening dat het aantal ziekenhuizen nog zal afnemen, maar het staat vast dat over enkele jaren het fusieverhaal ten einde is. Toch komen hiermee de organisatorische ontwikkelingen in de gezondheidszorg nog niet tot stilstand.

Ambulante zorg
Nieuwe trends zoals de toenemende ambulante zorg, de zorg in de thuissituatie en de integratie tussen zorginstellingen in horizontale en verticale richting, kennen hun opgang. Deze ontwikkelingen noodzaken de Vlaamse overheid na te denken over de rol die zij in het toekomstige zorglandschap kan spelen.
Het onderzoeksrapport antwoordt op drie vragen: (1) Wat drijft de centrale trends in de organisatie van de Vlaamse gezondheidszorg? (2) Hoe beïnvloedt dit de zorgstrategische planning? en (3) Hoe moet Vlaanderen deze ontwikkelingen beantwoorden?
De focus ligt daarbij op twee thema’s, namelijk de ambulante zorg uit de tweede lijn en de mate van integratie van de zorginstellingen. Zo moet blijken welke performantie-indicatoren relevant zijn om gespecialiseerde ambulante zorg-centra of de mate van integratie tussen zorg-instellingen af te toetsen. Ook de mate waarin die centra of die integratie een bijdrage kunnen leveren aan de dekking van de zorgbehoeften in een regio, wordt duidelijk.

Complex Adaptive System (CAS)
Uit het rapport blijkt dat in de  discussie omtrent het toekomstig ziekenhuislandschap, het trans-muraal zorgmodel aan belang wint ten koste van het oude ‘hopitalocentrisme’. Dit gaat gepaard met een toename aan netwerken tussen ziekenhuizen. Die laatste krijgen niet langer een structurele maar een functionele invulling. Niet de bedden zijn van belang maar de zorg die wordt aangeboden. Een en ander maakt dat het voor een ziekenhuis dan ook interessant wordt goed af te stemmen met de eerstelijns gezondheidszorg in de buurt.

De uiteindelijke uitdaging voor de overheid ligt in de omgang met deze evoluties en in de vraag naar de maakbaarheid van de toekomstige gezondheidszorg. De onderzoekers concluderen alvast dat de gezondheidszorg beschouwd moet worden als ‘Complex Adaptive System’ (CAS). Voor de gezondheidszorg is het dan cruciaal dat de overheid een bestaansklimaat voor deze CAS realiseert. Hierin zal zij minder regulerend optreden en de creativiteit en het innovatief vermogen van zorgorganisaties stimuleren.

Onderzoeksrapport: Van den Holen, P., Deraedt, L., De Maeseneer, J. & Gemmel, P. (2008). Toekomstig ziekenhuislandschap Vlaanderen. Leuven: SWVG

     

Zorg te koop: begrippen en effecten van marktwerking in de ouderenzorg

Eén van de meest besproken ontwikkelingen in de internationale beleidsliteratuur over de zorgsector is de toegenomen invloed van marktwerking. Dat geldt ook voor de ouderenzorg. Verschillende evoluties dragen hiertoe bij. Zo is er nood aan oplossingen voor de uitbreiding en de stijgende kosten van het zorgaanbod. Ook de invloed van andere landen en de druk vanuit de Europese Unie spelen een rol. Verder zijn er de individualisering van de maatschappij en de vraag van cliënten naar meer keuzevrijheid en participatie aan het uitwerken van hun zorgtraject. De toenemende koopkracht van een deel van de oudere bevolking en de daaruit voortvloeiende mogelijkheid om in de ouderenzorg bepaalde ‘niches’ te ontwikkelen, is eveneens een drijfveer. Die veelheid van aanleidingen vertaalt zich in evenveel analyses, begrippen en benaderingen van het thema. Het juridisch programma van het Steunpunt gaat na op welke manier de overheid zich kan verhouden tot evoluties in het zorglandschap. Daarbij is de kernvraag  welke vormen van regulering mogelijk en wenselijk zijn, rekening houdend met de Europese dimensie en met ontwikkelingen in andere landen.

Bij marktwerking denkt men al gauw aan processen van privatisering en commercialisering. Beide begrippen zijn wel verwant maar vatten onvoldoende de recente evoluties. Er is nood aan een breder concept dat begrippen als keuzevrijheid, concurrentie, vrije prijszetting én corrigerend overheidsingrijpen verenigt. Marktwerking wordt daarom gedefinieerd als “de organisatievorm waarbij het evenwicht tussen vraag en aanbod en de gewenste kwaliteit van het aanbod automatisch tot stand komt door het vrije initiatief van de actoren en door onderlinge concurrentie”.

Voor beleidsmakers is het nu de vraag of die marktwerking kan leiden tot een meer efficiënte toewijzing van diensten aan zorgbehoevenden, maar ook of ze kan bijdragen aan een meer doelmatige inzet van collectieve middelen. Meerdere vragen komen hierbij aan bod: welke elementen van marktwerking zijn veelbelovend of te vermijden? Welke elementen stroken niet met de eigenheid van zorg, het relationele aspect en de inbedding van zorg in het ruimere stelsel van sociale bescherming? Welke solidariteitsprincipes moeten gehandhaafd worden en welke daarvan worden door marktwerking bedreigd?

Quasi-markt
Marktwerking in zorg en welzijn wordt om diverse redenen als atypisch bestempeld, op de eerste plaats omwille van de aard van de dienstverlening. Daarbij speelt het argument dat zorg voor het individu erg ingrijpend is, in het bijzonder residentiële zorg. Zorg wordt om die reden niet als een gangbaar consumptiegoed beschouwd. Op de tweede plaats is er het maatschappelijk argument dat zorg voor kwetsbaren in de samenleving ook andere, algemene doelen dient. Beide redenen worden vaak aangehaald om winstoogmerk te weren en zorg over te laten aan de overheid of de social-profit sector. Daarnaast wordt ook gewezen op economische manco’s van marktwerking in de ouderenzorg. De markt kan alleen goed werken als vragers en aanbieders onafhankelijk van elkaar opereren en goed geïnformeerd zijn over de prijs en de kwaliteit van de dienstverlening. Net in zorg en welzijn is de informatie sterk ongelijk verdeeld over vragers en aanbieders. Denk aan inschalen van zorgbehoevendheid, opstellen van indicatiestellingen, diagnosticeren, en behandel- of zorgplannen opmaken. Hierdoor wordt de vraag in belangrijke mate voorgestructureerd. Een zorgbehoevende kan op voorhand nooit volledig geïnformeerd zijn en kan de waarde van die informatie niet goed schatten omdat de informatie zelf deel uitmaakt van de transactie. Daarom spreken we van een quasi-markt.

Keuzevrijheid
Onderzoek naar de voor- en nadelen van die quasi-zorgmarkt gaat dan noodzakelijk over flexibilisering, zelfbeschikkingsrecht, aanbodtekort, de relationele en maatschappelijke waarde van zorg, overheidssturing en transparantie, schaalvergroting, gelijke toegang tot zorg, en werkcondities voor professionals.

Ook keuzevrijheid op de zorgmarkt is een belangrijk vraagstuk. Want om die keuzevrijheid op de markt te realiseren moet de consument kunnen nagaan wat “de beste koop” is. Hiervoor moet de gezondheidsmarkt overzichtelijker gemaakt worden. En dan nog is het de vraag of diegenen die de zorg echt nodig hebben, op dat ogenblik nog in staat zijn om onafhankelijk een keuze te maken. Zorg en keuzevrijheid zijn vaak moeilijk te verenigen, precies omdat die nood aan zorg gepaard gaat met gebrek aan informatie, immobiliteit, lage kapitaalkracht en beperkt aanbod. De uiteindelijke conclusie is dat marktwerking in de zorgsector, en niet in het minst in de ouderenzorg, de individualisering van die zorg in de hand werkt ten koste van het democratisch solidariteitsprincipe.

Uitdagingen
Verder sociaaljuridisch onderzoek naar de effecten van marktwerking in de zorg zal zich, vanuit sociale beleidsoverwegingen, dan ook moeten buigen over de risico’s op ongelijke toegang en het gevaar van een tweesporenbeleid. Het recht moet mee voorkomen dat er een kloof ontstaat of groeit tussen goed geïnformeerde assertieve zorgconsumenten die actief zorg inkopen en sociaal zwakkeren die bij het uitoefenen van dergelijke rechten de grootste problemen ondervinden.

Het zal zich ook moeten buigen over de problematiek van de inspraakrechten. Het uitbreiden van diversiteit en keuzemogelijkheden garandeert immers nog niet dat cliënten ook effectief over een grotere keuzevrijheid zullen beschikken of er  daadwerkelijk gebruik van maken. Er moet dus onderzocht worden hoe zij beter betrokken kunnen worden bij de beslissingen over hun zorgsituatie.

Een derde uitdaging situeert zich op het vlak van coördinatie, planning en samenwerking. Die moet de transparantie van het aanbod en de afstemming van vraag en aanbod ten goede komen.

Tot slot moet ook verder nagegaan worden over welke beleidsruimte de overheid in een sociale rechtsstaat beschikt om regulerend op te treden en hoe zij bepaalde ontwikkelingen kan monitoren, sturen of afremmen.

Nota: Verdonck, I. & Put, J. (2008). Begrippen en effecten van marktwerking: een literatuurverkenning. Leuven: SWVG

Terug naar inhoud

     

Ad-hocprojecten 2008

In het najaar van 2008 starten vier korte termijnopdrachten:

  • Onderzoek naar verklarende factoren voor verschillen in suïcideprevalentie tussen regio’s
Zelfdoding is wereldwijd een belangrijk probleem en vormt hoe langer hoe meer een van de belangrijkste doodsoorzaken. Het is inmiddels de dertiende doodsoorzaak in de wereld, de zevende in Europa. Vlaanderen is bovendien bij de Europese koplopers wat het aantal suïcides en suïcidepogingen betreft.

Opmerkelijk is dat zelfdoding de belangrijkste doodsoorzaak lijkt te worden bij twintigers, dertigers en veertigers. Suïcide is dus voor beleidsmakers een belangrijk aandachtspunt. Conform de maatregelen ten aanzien van andere belangrijke doodsoorzaken (zoals longkanker, verkeer, hart- en vaatziekten, …) ontwikkelt men een beleid waarmee men deze ongunstige situatie ten goede kan keren.

In de context van dit ad hoc onderzoek wordt een antwoord geboden op drie vragen:
  • Wat is de prevalentie van suïcide en suïcidepogingen voor Vlaanderen in een Europese context?
  • Wat zijn determinanten en verklaringsmodellen voor suïcide, zowel op individueel als op populatieniveau, en in welke mate komen deze voor in Vlaanderen in vergelijking met andere Europese landen?
  • Wat is voorhanden aan wetenschappelijke gegevens om verschillen in suïcideprevalentie en -methoden tussen regio’s te verklaren ?

Onderzoeker: Alexandre Reynders
Promotoren: Prof.dr. Ch. Van Audenhove,
Prof.dr. C. Van Heeringen, Prof.dr. J. De Maeseneer

Op donderdag 11 december 2008 organiseert SWVG een studiedag over suïcide in Vlaanderen en in Europa.

  • Indicatoren als basis voor een zelfevaluatie-instrument van CGG

Ten behoeve van de inspectie wordt een set van indicatoren ontwikkeld met het oog op de zelfevaluatie van de Centra voor Geestelijke Gezondheidszorg.

Het SWVG-project moet de zelfevaluatie van de CGG impulsen geven. Dit kan door de bestaande indicatoren wetenschappelijk te valideren en er op vraag van de sector bijkomende te ontwikkelen. Ook het afstemmen van de indicatoren binnen de sector en ze operationeel maken behoort tot de opdracht.

Onderzoeker: Evelien Demaerschalk
Senioronderzoeker: Dr. Koen Hermans
Promotoren: Prof.dr. Ch. Van Audenhove Dr. G. Cuyvers

  • Het gebruik van formele kinderopvang in Vlaanderen geëvalueerd

In Vlaanderen zijn er eind 2005 meer dan 95.000 plaatsen in de formele kinderopvang. Dit is een stijging met 20% ten opzichte van 2000. Hiermee haalt Vlaanderen de zogenaamde Barcelonanorm, het streefcijfer om tegen 2010 33 plaatsen per 100 kinderen tussen de 0 en 3 jaar te voorzien. Over deze snel groeiende sector ontbreken recente en representatieve gegevens die gebruikers van diverse vormen van kinderopvang kunnen typeren. Zulke cijfers kunnen volgende vragen beantwoorden: wat is het socio-economisch profiel van ouders die een beroep doen op de formele kinderopvang? Van welke opvang maakt men gebruik? Sluit dit aan bij hun wensen en voorkeuren? En hoe evalueren zij de kwaliteit van dit aanbod?

Door deels dezelfde instrumenten te gebruiken als in een gelijkaardige studie van 2000 wordt het mogelijk om de huidige situatie met die van toen te vergelijken. Op die manier brengt het project ook trends en verschuivingen in kaart.

Onderzoeker: Annick Peetermans
Promotoren: Prof.dr. J. Pacolet
G. Hedebouw

  • Modelontwikkeling voor de economische evaluatie van welzijns- en gezondheidsprojecten en projectplannen

Het beleid inzake welzijn en gezondheid erkent de groeiende nood aan gezondheids- en welzijnseconomische evaluaties van haar initiatieven en haar werkterreinen. SWVG levert daartoe een bijdrage door binnen de lopende onderzoeksprojecten economische evaluaties te realiseren. Het volstaat niet langer om te besluiten dat een bepaalde interventie of een bepaald programma werkzaam of doeltreffend is, men moet ook kunnen aantonen dat het kosteneffectief is.

SWVG wil de ontwikkeling en uitbouw van de welzijnseconomische expertise in Vlaanderen stimuleren door een antwoord te bieden op volgende vragen:

  • Zijn er goede modellen voor kostenberekening en economische evaluatie van welzijnsinterventies?
  • Welke zijn de voor- en nadelen van deze modellen en de toepasbaarheid ervan in de Vlaamse situatie?
  • Hoe laat het meest geschikte model (of modellen) zich toepassen binnen twee werkvormen van de bijzondere jeugdzorg: mobiele hulpverlening in thuisbegeleiding en residentiële hulpverlening in begeleidingstehuizen? Er wordt nagegaan of het haalbaar is om een uitspraak te doen over de kostenstructuur en -effectiviteit van die werkvormen bij kinderen en jongeren in ernstige problematische opvoedingssituaties.

Onderzoeker: Sylvie Ackaert
Promotoren: Prof.dr. L. Annemans
Prof.dr. S. Simoens, Prof.dr. H. Grietens

Terug naar inhoud

     

SWVG-Kalender

Vrijdag 21 november 2008
Colloquium: Deugdelijk Bestuur in de non-profit welzijns- en gezondheidssector

Het voorbije jaar werd onderzoek gevoerd naar deugdelijk bestuur in de non-profit welzijns- en gezondheidssector. De focus lag daarbij op de raad van bestuur als centraal orgaan in het deugdelijk bestuur van de organisatie. Dit colloquium sluit het onderzoek af.

In de voormiddag wordt het thema theoretisch gekaderd en worden de onderzoeks-resultaten voorgesteld. Het namiddagprogramma is interactief met workshops over verschillende deelthema’s. In kleinere groepen discussiëren de deelnemers over de werking en rol van de raad van bestuur en haar verhouding tot directie en stakeholders van de organisatie. Zij formuleren tevens aanbevelingen.

Het colloquium richt zich in de eerste plaats tot betrokkenen bij het bestuur van non-profit welzijns- en gezondheidsorganisaties.

 
Donderdag 11 december 2008
Studiedag: Prevalentie en preventie van suïcide in Vlaanderen en Europa

In Vlaanderen sterven er gemiddeld 1100 personen per jaar door zelfdoding. Dit betekent ongeveer 3 zelfdodingen per dag.
De overheid is zich van deze problematiek bewust en tracht verklaringen te vinden voor de hoge suïcideprevalentie in Vlaanderen. In die optiek ontwierp ze een Vlaams Actieplan Suïcidepreventie en stelde zichzelf als doel de sterfte door zelfdoding tegen 2010 met 8% te verminderen ten opzichte van het jaar 2000. Hiervoor baseert zij zich op wetenschappelijk onderbouwde strategieën.

Tijdens de studiedag komt vooreerst de problematiek van de suïcideprevalentie in Vlaanderen aan bod, gesitueerd binnen de Europese context. Vervolgens wordt aandacht besteed aan de antwoorden die hierop in Vlaanderen worden geformuleerd.

Terug naar inhoud

     

   
PBWeb © 2007
Logo KULeuven Logo Lucas Logo UGent Logo VUB Logo KHK Logo Steunpunten